dinsdag 17 april 2012

Daniil Charms’ metafysische esthetica

Daniil Charms’ metafysische esthetica

 
Door André Schreuders uitgesproken op 8 mei 2000 op de Jagiellonski Universiteit in Krakow


1. Wie is Daniil Charms?
Daniil Charms is vooral bekend als Russisch absurdistisch schrijver. Hij leefde van 1905 tot 1942, en woonde vrijwel zijn hele leven in St-Petersburg/Leningrad. Tijdens zijn leven publiceerde hij niets, behalve enkele verhalen voor kinderen. In 1927 richtte hij met een aantal schrijvers, schilders en musici de avant-gardistische groep Oberioe (vereniging voor reële kunst) op, die in 1930 verboden werd. Deze groep staat in de traditie van de Russische avant-garde van de dichters Chlebnikov en Tufanov en de schilder Malevitsj, met wie Charms nauw contact onderhield.
Met zijn ultrakorte, paradoxale verhalen, zijn dada-achtige gedichten en groteske toneelteksten werd Charms de belangrijkste vertegenwoordiger van het Russische absurdisme. Om even te proeven wil ik u één van zijn verhaaltjes voorlezen.

Het blauwe schrift nr. 10
Er was eens een roodharige man die geen ogen en geen oren had. Hij had ook geen haren, zodat men hem maar bij wijze van spreken roodharig noemde.
Spreken kon hij niet, want hij had geen mond. Een neus had hij ook niet.
Hij had zelfs geen armen en benen. Hij had ook geen buik, hij had ook geen rug, hij had geen ruggegraat, hij had helemaal geen ingewanden. Hij had niets! Zodat het niet uit te maken is over wie het gaat.
Laten we het liever niet over hem hebben.
[6 januari 1937]

Wat gelijk opvalt is dat het erg kort is. De beschrijving voert ons naar het absurde. Een roodharige man die niet bestaat. Door zijn absurditeit is het grappig. Maar ondanks dat blijft er een gevoel over dat er meer aan de hand is. Het jeukt. Ik had over bijna elk willekeurig ander verhaaltje van Charms hetzelfde kunnen zeggen. Steeds zijn het grappige vertelsels die qua vorm een normaal verhaal lijken te geven, maar qua inhoud tot een absurditeit leiden. 2.

2. Filosofische jeuk
De vraag is of er inderdaad meer aan de hand is, en zo ja, hoe de absurditeit begrepen moet worden. Is het, zoals bij Camus, om de zinloosheid van het bestaan zichtbaar te maken?  Of heeft Charms een eigen thematiek? Het is deze jeuk, het gevoel dat er meer speelt, die mij al een aantal jaren trekt aan Charms. Ik poog op te sporen wat de betekenis is van zijn verhalen en hoe zijn wereld eruit ziet. En ik doe dit niet door interpretaie van zijn verhalen, maar door bestudering van Charms eigen filosofische beschouwingen. Tussen de vele teksten uit zijn, inmiddels uitgegegeven, verzameld werk, bevindt zich een aantal die je als filosofisch zou kunnen betitelen. Deze filosofische teksten van Charms gaan over zeer verschillende onderwerpen. Zo zijn er teksten over cijfers, bijvoorbeeld over de nul of over de één. Een tweede groep teksten gaat over tijd, ruimte en het bestaan.Deze teksten lijken vooral te verwijzen naar Pythagoras of de gnostiek.

Het onderwerp dat ik wil bespreken is Charms metafysische esthetica. Dit onderwerp is interessant, omdat het een licht werpt op de betekenis van Charms hele oeuvre, op de zin van het absurde. Bovendien lijkt me dit een zeer vruchtbaar onderdeel voor het hedendaagse denken. Hij maakt hierin namelijk een wonderlijke verbinding tussen het postmoderne "ways of worldmaking" en een realisme dat terugvoert naar Phytagoras. Het gaat Charms om het kennen van de werkelijkheid, het kennen van de zuivere orde. Hij stelt dat de werkelijke wereld te kennen is en wel via de creatie

3. Inleiding tot de metafysische esthetica
De term metafysische esthetica is niet van Charms, maar drukt mijns inziens wel het beste uit wat Charms bedoelt. De problematiek waar het om draait komt helder naar voren in enkele dagboeknotities en brieven en in het manifest van Oberioe, zijn kunstenaarsgroep. Uit deze teksten blijkt dat Charms denken opgespannen is in de driehoek: kennen van de werkelijkheid, creatie, wonder/onzin. Deze drie begrippen lijken op gespannen voet met elkaar te staan, maar straks zal blijken dat ze in Charms esthetica een eenheid vormen.
In een brief aan Claudia Poegatjova uit 1933 stelt hij: "Ik ben de schepper van een wereld, en dat is wel het allerbelangrijkste in mij". Daarmee lijkt Charms een Nietzschiaan of een postmodernist. Maar even verder maakt hij duidelijk dat het niet gaat om de schepping van om het even wat, maar dat in wat hij schept dezelfde orde aanwezig dient te zijn als in de wereld. Hij zegt: "Wanneer ik gedichten schrijf, dan is voor mij niet de idee het allerbelangrijkste, niet de inhoud en niet de vorm, en evenmin het vage begrip `kwaliteit', maar iets dat nog veel vager en nog onbegrijpelijker is voor een rationele geest, (...), en dat is de zuiverheid van de orde."

Met andere woorden, de creatie werpt een licht op de werkelijke wereld. Charms onderscheidt zijn literatuur van de krantenwerkelijkheid. Die is voor hem "hulpeloos en bedroevend" omdat het om een bedachte en niet om een geschapen wereld gaat. De creatie is dus niet zomaar een bedenksel, maar moet overeenstemmen met de zuivere orde. De zuivere orde lijkt overigens rechtstreeks terug te verwijzen naar de harmonieleer van Pythagoras.

De woorden uit het manifest van Oberioe uit 1928 sluiten aan bij de gedachten uit deze brief. Hierin wordt gesteld dat de oberioeten niet alleen scheppers zijn van een nieuwe taal zijn, maar ook grondleggers van een nieuwe perceptie van het leven. Anders dan hun avantgardistische voorgangers gaat het de oberioeten niet om de vernietiging van voorwerpen en de oude taal en de creatie van een kunstmatige taal. Zij willen met hun creaties juist de betekenissen van woorden en voorwerpen verdiepen en verbreden. Ze willen het voorwerp leren kennen door het te ontdoen van literaire en alledaagse betekenissen. Met andere woorden door het voorwerp uit de context, de vastgeroeste betekenissen, te bevrijden wordt haar werkelijke aard kenbaar. Charms ontpopt zich als een kunstenaar voor wie esthetica is wat het traditioneel was: het kennen van de dingen. Hij stelt dat de voorwerpen gekend kunnen worden en keert zich daarmee af van bijvoorbeeld Kant voor wie het Ding an Sich onkenbaar is.
De derde pool van de metafysische esthetica is het wonder en het absurde. Charms hecht hier groot belang aan zoals enkele citaten uit zijn dagboek laten zien. "Interessant is alleen het wonder, als een inbreuk op de fysische structuur van de wereld" en "Het enige wat me interesseert is 'onzin', alleen datgene wat geen enkele praktisch zin heeft. Het leven interesseert me alleen in zijn ongerijmde verschijningsvorm."

De interesse voor het wonder lijkt in eerste instantie haaks te staan op een sterke waardering voor de eigen scheppingskracht. Het wonder is immers iets wat je overkomt. En het absurde lijkt juist weg te voeren van kennis van de werkelijke wereld. Hoe kunnen we uit deze ogenschijnlijke tegenstellingen ontsnappen? Of moeten we de paradox laten bestaan?   Hierna zal blijken dat er geen sprake is van een tegenstelling, maar dat juist het wonder en het absurde meer licht werpen op de werkelijkheid. Daartoe is het nodig Charms esthetisch procédé te volgen.

4. Het esthetisch procédé (Schrift 1929-1931)
Het esthetisch procédé is beschreven in een aantal teksten van in totaal zo'n 20 pagina's die tezamen zijn opgenomen in één schrift. Ze zijn beschreven aan het begin van zijn schrijvende leven, tussen 1929 en 1931. In de tekst "Meting der dingen" maakt hij in dialoogvorm duidelijk dat zijn methode om de dingen te meten superieur is aan die van de wetenschap. De wetenschap versnijdt de voorwerpen, vernietigt ze met de meting. Ook de ouderwetse meeteenheden krijgen er van langs omdat ze een schijnwerkelijkheid opleveren, vooroordelen waaraan de boer hardnekkig blijft vasthouden.  De meetmethode, ofwel het esthetisch procédé, van Charms komt het scherpst naar voren in de tekst "Objecten en figuren ontdekt door DI Charms". Kortweg komt dit procédé neer op de vernietiging van alle vaste betekenissen en logische verbanden. Op die manier worden de objecten vrijgemaakt en daardoor beter waarneembaar. Ik zal hierna de verschillende stappen uit dit procédé tonen.

a. onderscheiden van de zuivere betekenis
 Charms stelt dat de betekenis van elk voorwerp veelvoudig is. Hij onderscheidt vijf betekenissen: 1. descriptieve betekenis, 2. doelbetekenis, 3. emotionele betekenis, 4. esthetische betekenis, 5. zuivere betekenis.
De eerste vier betekenissen zijn de functionele betekenissen. Zij worden bepaald door de relatie van een mens met dat voorwerp. De vijfde betekenis is niet van de mens afhankelijk. Zij wordt louter bepaald door het bestaan van het voorwerp zelf. Charms drukt het nog sterker uit als hij stelt dat ze slechts bestaat buiten de mens. In Kantiaanse termen is dit het Ding an Sich. Charms omschrijft de vijfde betekenis ook wel als de "vrije wil van het voorwerp". Deze omschrijving doet denken aan Schopenhauer. Ik kom hier later op terug.

b. onderscheiden van begrippen en voorwerpen
Vervolgens onderscheidt Charms het concrete systeem van het systeem van begrippen. Een "kast" bestaat als voorwerp en als begrip. Het systeem van begrippen bestaat alleen in ons bewustzijn. Een voorwerp, bijvoorbeeld een kast, heeft in het bewustzijn vier functionele betekenissen en een betekenis als woord.
Charms laat zien dat de concrete "kast" en het begrip "kast" allebei een eigen vijfde betekenis hebben. Het lijkt erop dat de eerste vier betekenissen worden gedeeld. In het concrete systeem is de vijfde betekenis de vrije wil van het voorwerp. In het systeem van begrippen is zij de vrije wil van het woord.

c. vernietiging van de functionele betekenissen
Het zichtbaar maken van de vijfde betekenis valt vervolgens samen met de bevrijding van de vrije wil van het woord en het voorwerp. Dit gebeurt door van een reeks willekeurige voorwerpen de verbinding van functionele betekenissen te vernietigen. De zuivere betekenissen van deze voorwerpen blijven verbonden. Zo'n reeks kunnen we volgens Charms zien als een nieuw ontstaan synthetisch voorwerp.

d. creëren van de absurde reeks
Tenslotte zal hij zo'n reeks, zo'n synthetisch voorwerp, overbrengen naar een ander systeem. Daarmee wordt ze uit menselijk oogpunt zinloos. Hier zien we dus het voorwerp, of de reeks van voorwerpen die uit de context zijn gehaald. Het zal duidelijk zijn dat zo'n reeks licht kan werpen op de zuivere betekenis van de voorwerpen. De andere betekenissen zijn immers vernietigd.
Aan zo'n nieuw absurd systeem kunnen we volgens Charms drie betekenissen toekennen: een descriptieve, een esthetische en een zuivere. Daarmee wordt voor Charms het zinloze een nieuw gecreëerd systeem met een esthetische betekenis. Het wordt een kunstwerk dat licht werpt op de vijfde betekenis, de zuivere betekenis van de voorwerpen.


5. De waarnemer
Het procédé dat Charms uiteenzet is voor hem geen woordspelletje. Zijn voorkeur voor het absurde is een zaak van leven en dood. Het aanschouwen van de zuivere betekenis is niet een eenvoudig kunstje. Het is een gevaarlijke onderneming die volledig kan mislukken. Met het vernietigen van betekenissen, vernietigt de mens ook zijn eigen betekenissen. Charms maakt dat op een aantal plekken duidelijk. In de lastig te doorgronden tekst "De Sabel" is er een aantal keren sprake van ten ondergaan, het onderspit delven tegen de vrijgemaakte woorden. De tekst gaat onder meer over hoe wij kunnen voorkomen te onder te gaan tegenover de "vrije verzen". Charms brengt hier de pen naar voren als zijn sabel om de strijd met de woorden en dus de objecten te winnen.
Andere teksten zijn minder optimistisch en geven geen oplossing. In "objecten en figuren..." geeft Charms aan dat met de vernietiging van betekenissen de waarnemer zelf tot object kan worden. En in de tekst Wijreld (samentrekking van wij en wereld) valt de hoofdpersoon uit elkaar op het moment dat hij de wereld in haar wezen aanschouwt. Het lijken allemaal waarschuwingen te zijn, dat we, omringd door absurditeit, onze individualiteit kunnen verliezen. Doordringen tot de werkelijkheid is misschien wel een genialiteit die dicht bij gekte staat.
In Charms verhalen zien we deze verdwijning regelmatig terugkeren. Zoals bij de man met het rode haar uit "Het blauwe schrift no.10." Ook in andere verhalen verdwijnen er mensen, of ze vallen uiteen in balletjes.

6. Terug naar de man met het rode haar
Ik hoop dat uit het voorgaande duidelijk is geworden dat het absurde bij Charms niet zinloos is, maar juist zeer betekenisvol. Het werpt een licht op de zuivere betekenis van de werkelijkheid, op het Ding an Sich zou kan zeggen. De tekst waar ik mijn voordracht mee begon "Het blauwe schrift nr. 10" kan daarmee ook verhelderd worden. Als we vernemen dat in Charms aantekeningen in de marge bij de tekst gekrabbeld staat "Tegen Kant" gaat het pas echt jeuken. Waar doelt Charms op? Het zou een kritiek op het dogma van de causaliteit kunnen zijn. Maar meer voor de hand liggend gaat deze tekst juist over het Ding an Sich. We nemen een ding en pellen alle eigenschappen eraf. Alle verschijningen van het voorwerp worden vernietigd. Voor Kant is er in dat geval ook geen voorwerp meer. Voor Charms wel, zoals we reeds zagen. Omdat het in het verhaaltje niet om een voorwerp gaat, maar om een mens, krijgt de tekst nog een zwaardere lading. Met het afpellen van de eigenschappen en betekenissen die die mens kan hebben komt zijn vijfde betekenis, zijn essentie, vrij. Juist op dat moment dat die vijfde betekenis vrij komt, stelt Charms in de slotzin: "laten we het er niet meer over hebben". Nu begrijpen we wat er jeukt. Hier zien we een glimp van de ethische of politieke dimensie die Charms werk ontegenzeggelijk heeft. In het licht van de terreur van Stalin uit de jaren '30 en het verzwegen lot van de vele verdwenen burgers, blijkt dat wat als jeuk begon langzaam maar zeker zeer pijnlijk en bitter te worden.

7. Uit te diepen onderwerpen
Ik heb hiervoor vooral duidelijk pogen te maken wat de betekenis is van het absurde bij Charms. Ik ben echter nog nauwelijks ingegaan op mogelijke verbindingen met andere denkers. Aan het slot van deze voordracht wil ik nog een paar richtingen noemen, waarin verder onderzoek me vruchtbaar lijkt.

Charms denken sluit aan bij het denken van allerlei hedendaagse denkers als Deleuze, Lyotard, maar ook Wittgenstein. Overeenkomstig met hun denken is bijvoorbeeld de poging een vaak gevoeld tekort schieten van ratinoneel-logisch denken te benoemen. Het uitdiepen van Charms denken in relatie tot de postmodernen kan een scherper beeld van Charms opleveren. Maar mogelijk is het ook vruchtbaar voor het postmoderne denken, omdat Charms de verbinding legt met het antieke denken van Pythagoras. Het blootleggen van de pythagoreïsche wortels in Charms denken kan daarvoor waardevol zijn, zoals de getallenleer, het uiteenvallen in balletjes en de zuivere orde.

Ook interessant lijkt het me Charms' denken met de geschriften van Kant en vooral Schopenhauer te confronteren. Net als bij Schopenhauer is voor Charms het Ding an Sich te kennen. Schopenhauer gebruikt daarvoor net als Charms het woord wil. Waar voor Schopenhauer de wil alleen van binnenuit te kennen is, via onze eigen wil, lijkt voor Charms de vijfde betekenis van buitenaf kenbaar. Er zijn meer overeenkomsten met Schopenhauer. Beiden zien de wereld niet als logisch, noch onlogisch, maar alogisch. Kunst is voor beiden de beschouwing der dingen, onafhankelijk van de causaliteit en onafhankelijk van de wil. En Schopenhauers omschrijving van genialiteit als volkomen objectiviteit, als het vermogen zuiver beschouwend te zijn, kan de problematiek van de ondergang van de waarnemer Charms verhelderen.

Ten slotte ligt het natuurlijk zeer voor de hand Charms in zijn directe context te zien, namelijk van de Russische avant-gardekunst en de Russische filosofie. De link met Maljevitsj is al door enkelen beschouwd (Jaccard, Levin). Maar nog onbelicht is hoe Charms past in de Russische filosofie. Uit een filosofisch woordenboek haalde ik onder meer de volgende kenmerken van de Russische filosofie:

1. realisme: de ware realiteit staat open voor het kennende bewustzijn.
2. mystiek empirisme: de mens kan een openbaring beleven van de innerlijkheid van alle realiteit.
Deze elementen zijn duidelijk bij Charms terug te vinden. Het lijkt me daarom zinvol en vruchtbaar ook deze wortel van Charms denken bloot te leggen. Pas dan kan duidelijk worden of Charms een losstaande vertolker is van een bijzondere denkwijze, of een bijzondere vertolker binnen een bredere traditie.

Ik hoop dat ik met mijn uiteenzetting licht heb geworpen op de metafysische esthetica van Charms. Bovendien hoop ik dat wat van mijn fascinatie heb kunnen overbrengen en dat het daarmee bij u ook een beetje is gaan jeuken.


Literatuur:
Kharms, D.I. (PSS), 'Polnoe sobranie sochinenij' (collected works), Tom 2, Sankt-Peterburg, 1997, pp. 295-315 (1997).
The main texts on metaphisical aesthetics are:
    Izmerenie veshej  (Measuring of things)
    Sablja  (The Sword)
    Odinachat utverzjdenie Daniila Ivanovicha Kharmsa (Eleven assertions of D.I. Kharms)
    Predmety i figury, otkrytye Daniilom Ivanovichem Kharmsom (Objects and figures, discovered by D. Kharms)
     Myr (Werld)
     Cisfinitum (Cisfinitum)
     Null i noll (Zero and nil)
     O kruge (On the circle)
Kharms, D.I. (OM), 'Oberiu-manifesto', in: Izbrannoe, pp. 191-202 (1974);
Charms, D.I. (Tj), 'Het blauwe schrift no.10' (Blue Notebook No. 10), in Tsjak, 1993, p.87;
Charms, D.I. (BD), 'Brieven en Dagboeken'(Letters and diary-notes), 1993, p.33-37, 134, 144;
Anemone, A., 'The anti-world of Daniil Kharms: On the significance of the absurd'; in: Cornwell e.a. Daniil Kharms and the poetics of the absurd, 1991, pp 71-93;
Druskin, I., 'On Daniil Kharms';  in: Cornwell e.a. Daniil Kharms and the poetics of the absurd, 1991, pp 22-31;
Gibian, G., 'Introduction', in: D. Kharms - Izbrannoe, 1974, pp 9-43;
Jaccard, J.Ph., 'Daniil Harms et la fin de l'avant-garde russe', Lang, Bern etc., 1991;
Levin, I., 'The fifth meaning of the Motor-Car: Malevich and the Oberiuty', Soviet Union/Union Sovjetique, 5, 2, 1978, 287-300;
Kuypers, K. (red.), 'Elseviers filosofische en psychologische encyclopedie', 1952, pp 194-195;
Milner-Gulland, R., 'Beyond the turning-point: an afterword'; in: Cornwell e.a. Daniil Kharms and the poetics of the absurd, 1991, pp 71-93;

Geen opmerkingen:

Een reactie posten